Programma
Facebook Jeugd
Klik op de foto 
             SCHUTTERIJ SINT MARTINUS MAASBREE   1886

Schutterij St. Martinus uit Maasbree is opgericht op 1 juli 1886. Bij de oprichting werd ook een ziekenfonds verbonden aangezien hier toen een grote behoefte aan bestond. Het eerste bestuur bestond uit Louis Vaessen (voorzitter), Jean Berkers (secretaris), Joh. Hermans (penningmeester), Jean Grubben, Jos Vaessen en Mart Berden. Bij de oprichting bestond de schutterij uit 65 leden. Het eerste Koningsvogelschieten had op 17 mei (dus voor de oprichtingsdatum) plaatsgevonden en het was G. Vaessen die het geluk kende om als eerste Koning van de nieuwe schutterij te fungeren.
Schieten en  het gezamenlijk dragen van lasten, verbonden aan ziekte lijkt in onze moderne tijd met alle mogelijke sociale voorzieningen een vreemde combinatie. Men zou zelfs de Maasbreese schutten ervan gaan verdenken, dat zij zodanig gevaarlijk met het schietijzer omgingen dat de oprichting van een ziekenfonds  noodzakelijkerwijs aan de schutterij verbonden moest worden, wilde men het ledental op peil houden. Toch hebben koster Lowie Vaessen en zijn medeoprichters het in 1886 niet zo slecht bekeken. Zij wisten het aangename met het nuttige te verenigen. Wie in die jaren door ziekte of ongeval getroffen werd, werd daarmee meestal gevoelig in zijn inkomsten geraakt. Dankzij het lidmaatschap van de schutterij kreeg men nu echter ziekengeld: ongeveer 50 cent per dag in de zomermaanden, een dubbeltje minder in de wintertijd, toen ”bedragen om mee naar huis te nemen”. De leden, meer als 60 in getal, stortten ieder een gros (6 cent) per week in het fonds.
Was het animo om te schieten in voorgaande jaren afgenomen, op het eind van de 19e eeuw herleeft het schutterswezen in het Limburgse land. “Het is vermaak, dat zoo recht in den smaak van het volk valt”. Voor zover het geen aanleiding geeft tot grove misbruiken verdient het aanmoediging.
De schuttersgilden immers dragen, indien zij het godsdienstig karakter niet verloren hebben, veel bij tot opluistering van processieën en zijn bij begrafenissen, zoo er orde heerscht, vooral indrukwekkend. Daarboven is het een  zeer onschuldige oefening, die, mocht ooit het Vaderland door een vijand worden aangevallen, zal blijken niet geheel doel- en nutteloos te wezen. Het Godsdienstige aspect, zoals geciteerd, liet Sint Martinus niet verloren gaan en kreeg een eigen cachet op 11 november: naamfeest van Sint Martinus, die begon met een H. Mis, waarna de ”teerdag” werd voortgezet in de vele etablissementen die Maasbree rijk was, evenzeer een goede gewoonte……
Jaarlijks hield Sint Martinus tot op heden haar ”Koningsvogelschieten” en werden/worden schuttersfeesten in het Limburgse bezocht. Naast het prijsschieten in de regio werden ook de  grote schuttersfeesten, zoals het OLS bezocht door Sint Martinus.
Schieten dient geoefend te worden, vandaar dat de Maasbreese schutten de eerste jaren niet erg succesvol deelnamen en men pas in 1904 het eerste zilver binnen”schiet” op een concours in Horst.
Nadat de schutten zich voorheen moeten ”behelpen” met de schietbomen van de oude schutterijen kregen zij in 1908 vergunning voor het oprichten van een schietboom op een perceel aan het ”kanaal”. In 1911 word het heuglijke feit herdacht dat de schutterij 25 jaar bestaat. Als hoogtepunt van dit jubileumfeest besluit men een ”groot Oud Limburgsch schuttersfeest” te organiseren.. Dit vindt plaats op 9 juli en men hoopt dat dan ”de tram in staat gesteld is de talrijke bezoekers naar Bree te vervoeren”. Deze illusie ging echter in rook op, want door het enorm gekrakeel rond de tram ging deze pas in 1912 rijden…. In 1914 breekt dan de Eerste Wereldoorlog uit en de 4 jaren doet men het rustig aan en de lust tot schieten ebt langzaam weg. In 1921 kreeg een aantal wakkere leden echter heimwee naar het knallen der schoten en de reuk van polver. Zij stichtten een schietvereniging op met de toepasselijke naam ”Volharding”, hoewel de meeste leden daarbij toch trouw aan ’t vaan van Sint Martinus bleven. Koningen zijn dan in de volgende jaren de schutters van ”Volharding”, terwijl Sint Martinus zich vooral bezig houdt met ziekenfondszaken. Ook aan Bondsfeesten en het OLS wordt deelgenomen, benevens de kleinere schuttersconcoursen. In 1936 herdenkt de vereniging haar 50-jarig bestaan. In 1939 koopt men een zilveren Koningsketting en een nieuw schild ter herdenking van dit heuglijke feit. Weer vertroebelen de Europese sferen. Hitler begint een waanzinnige oorlog, die ook de activiteiten van de schutterijen lam legt. De wapens moeten ingeleverd worden.
Vanaf 1946 herleeft de ”fiere houding der rechtgeaarde schutten” en begint men ook in de gelederen van Sint Martinus weer te knallen. In 1955 waren de broeders van Sint Martinus weer zodanig weerbaar en in macht gegroeid dat ”Volharding” zich voor een fusie niet hoefde te schamen en men weer eendrachtig schoot op de schietbomen, in Maasbree en elders…
Men heeft toen tevens de gelegenheid benut om de schutterijzaken te scheiden van de ziekenfondszaken, over welke afdelingen een afzonderlijk bestuur met eigen beheer van financiële middelen werd benoemd.
Door de oprichting van een drumband in 1953 kon Sint Martinus met een echt korps vooraf - met klaroengeschal - aantreden op de schuttersfeesten. De band tussen trommelkorps (de drumband) en schutterij is altijd zeer goed gebleven.
Om de financiële problemen op te lossen vindt men in 1954  een nieuwe bron van inkomsten. OMA komt voortaan ieder jaar in Maasbree!!
OMA is het ophalen van Oude Materialen: oud ijzer, koper, lood, lompen enz.
De eerste actie is een succes, zodat men al in hetzelfde jaar overgaat tot aanschaf van nieuwe uniformen.

In 1961 bestaat Sint Martinus 75 jaar. Dit feest word gevierd met een ”grandioos” schuttersfeest, gehouden op het voetbalveld. Echter het weer was miserabel, het regende aanhoudend.
Op 19 april 1966 plaatst Sint Martinus twee schietboominrichtingen aan de Sevenumseweg. Het daarvoor gebruikte schootsveld was meer en meer bebouwd geworden en bood te weinig ruimte voor de schutterij. In 1970 werden nieuwe uniformen aangeschaft en 1 jaar later ook een splinternieuwe buks. In 1973 richt men het nieuwe schietterrein in met 8 schietbomen en een lokaal, ”de schutterskiët”.
Deze opening werd gevierd met een uitbundig feest. Burgemeester Defesche schoot de nieuwe harken in.
In 1975 krijgt de kas van de schutterij een nieuwe impuls: men organiseert een jaarlijks ”Schietfestijn” voor drietallen, welke gevormd worden door plaatselijke verenigingen, buurtverenigingen, families, vriendenclubs e.d. Hieraan werd in grote getale deelgenomen door de bevolking. Voorbij zijn de tijden dat men krap bij kas zat. In 1978 steekt men zich opnieuw geheel in het nieuw en komt er ook een nieuw vaandel. In 1985 valt weer een hoogtepunt te constateren in de lange historie van Sint Martinus. De ”kiët” is verdwenen en heeft plaats gemaakt voor een prachtig ”schutterslokaal”, ontstaan door noeste arbeid van vooral de oud leden. Tot  september 2009  maakte Sint Martinus steeds gebruik van dit lokaal. Alleen kan men  jaren geen wedstrijden meer houden op het  schuttersterrein omdat de grondeigenaren van het schootsveld hier geen toestemming meer voor gaven. In 2003 is er nog een  kogelvanger geplaatst, maar doordat de gemeente de grond opeist  i.v.m. uitbreiding van het industrieterrein is verplaatsing noodzakelijk geworden. De schutters worden gejaagd !!!
Om de onderlinge band te versterken worden er heden binnen de schutterij allerlei evenementen georganiseerd, zoals: onderlinge wintercompetitie windbuks schieten. Ieder jaar een Martinusdaag :op deze dag worden alle vrijwillegers die op een of andere wijze werkzaamheden hebben verricht voor de schutterij met hun echtgenotes uitgenodigd voor een grote barbeque met amusement.. Een jaarlijkse (v.a. 1984 ) uitwisseling met St. Thomas van Aquino ,waarop om wildpaketten word geschoten. Ook worden tussendoor bezoeken gebracht aan schietwedstrijden. Op dat moment heeft Sint Martinus een 40 tal leden. Uitbreiding hiervan is moeilijk. Zeker als men beseft dat het ”Verenigingsschieten” door een gebrek aan schootsveld niet meer mogelijk is. Hierdoor moet men niet alleen een jaarlijkse financiële injectie missen, maar nog erger is het feit, dat de afstand tussen bevolking en schutterij steeds groter wordt. Ook de overheid heeft grote steken laten vallen. Men heeft een eeuwenoude traditie de dorpen uitgejaagd. Met het oog op de  ontwikkelingen in 2008  ziet de toekomst er voor Sint Martinus echter wat rooskleuriger uit. Wat in al die jaren opgebouwd is door een andere generatie mag nooit verloren gaan voor de gemeenschap.
In 2009 krijgt onze schutterij de beschikking over een nieuwe schutterslocatie. In Maasbree, aan de Schorweg 6, werd in 7 maanden tijd door de eigen leden een compleet nieuw schuttersterrein aangelegd. Er werden 2 geluidsarme wattenbakken geplaatst en een schitterend nieuw clubhuis gebouwd. Een aanwinst voor Maasbree en geheel schuttersminded Limburg. In 2010 kwam er een derde kogelvanger bij en nu  kan men wedstrijden schieten voor 12 buksen. Inmiddels bestaat de schutterij uit 70 leden en  is een aansprekende vereniging binnen de gemeenschap.


       
Schutterijen, schuttergilden en het ontstaan daarvan.

We moeten ver terug gaan in de geschiedenis om de eerste broederschappen tegen te komen.

In dit verband moeten we niet alleen denken aan natuurrampen, maar ook aan roof, plundering en brandstichting.

Uit deze broederschappen (maar dan met een ander doel) zijn in onze streken de ambachtsgilden voortgekomen.

In de 13e eeuw was de ontwikkeling van de steden in volle gang. De handel en nijverheid kwam in gang. De burgers van de steden die eenzelfde ambacht uitoefenden, verenigden zich in corporaties om hun gemeenschappelijk doel veilig te stellen. Die belangen golden in de eerste plaats het ambacht. Aan de leden werden hoge eisen gesteld, met een tweeledig doel:
1. het moest het behoud van de kwaliteit waarborgen en
2. het aantal ambachtslieden kon worden beperkt, om eventuele ongewenste concurrentie bij voorbaat te voorkomen.
Kortom, het was een select gezelschap van vakbroeders.

De ambachtsgilden onderhielden een nauwe band met de kerk. Vrijwel ieder beroeps- of ambachtsgilde had een eigen patroonheilige en altaar in de kerk. Zo vereerden de timmerlui St. Jozef.
De ambachtsgilden hebben een grote invloed gehad op de ruimtelijke en structurele ontwikkeling van de steden.

Het begrip “stad” had in die tijd geen vaste betekenis. Vaak was het niet meer dan een aantal huizen, gegroepeerd rondom een klooster of kasteel. Het gebied wat wij nu kennen als Noord-Brabant en Limburg was een lappendeken van grootgrondbezitters. En menigmaal kregen de bewoners een nieuwe heer, die na een onderlinge strijd bezit nam van zijn verkregen "oorlogswinst". Vaak werd door de plaatselijke heer dan ook een groep mannen aangesteld, die als opdracht kregen om de leefgemeenschap te beschutten, maar natuurlijk in hoofdzaak zijn eigen bezit.

In het einde van de 13e en begin 14e eeuw werden de grotere steden versterkt met poorttorens en stenen omwallingen. Het was algemeen gebruik dat de ambachtsgilden elke een gedeelte van de stadsmuur onder verantwoording hadden ter verdediging. Van echte bewapening was toe nog geen sprake.

Maar in de eerste helft van de 14e eeuw ontstond er steeds meer behoefte om te komen tot een geoefende burgerwacht, die niet alleen nodig waren voor bescherming, maar ook om de orde te handhaven en bij het helpen van branden blussen.
Deze burgerwacht werd gevormd uit diverse leden van ambachtsgilden die bravoure uitstraalden en die een onbesproken gedrag hadden. In principe stond deze burgerwacht aan de wieg van de schuttersgilden.
Vanwege het semi-militaire karakter werden ook diverse typische militaire aspecten uit het leger overgenomen, zowel wat organisatie betrof als de uiterlijke verschijningsvorm.

De militaire vorm nam echter in de 15e, maar vooral in de 16e eeuw weer af. Door de grote legers die werden ingezet kon de burgerwacht weinig meer uitrichten en vanaf die tijd waren ze meer op kleinere schaal in de stad actief. Als orderbewaker, brandweer en als erekorps bij feestelijke gebeurtenissen.

Een belangrijke datum in de geschiedenis van de gilden is 10 augustus 1566. Op die dag brak in Steenvoorde in West-Vlaanderen de beeldenstorm uit. In enkele weken tijd breidde die zich uit over heel België en Holland. Door de zilverroof en kapotgeslagen gildealtaren moesten veel gildeactiviteiten noodgedwongen worden beëindigd. Ook het uitbreken van de 80-Jarige Spaanse oorlog, van 1568 tot 1648, kwam de gilden niet ten goede. Hoewel tegen het eind van deze 80-jarige oorlog weer veel gilden werden opgericht. Maar vaak waren het dan schuttersgilden die als vermaak het papegaaischieten beoefenden.

Met de komst van de Franse revolutie op het einde van de 18e eeuw zijn wederom veel gilden verloren gegaan. Nu betrof het vooral de gilden van de ambachtslieden. Want de voorrechten die deze gilden zichzelf hadden toegeëigend waren niet in overeenstemming met de opvattingen van: vrijheid, gelijkheid en broederschap. Omdat veel schuttersgilden binding hadden met de ambachtsgilden gingen ook zij mee ten onder.

Opmerkelijk is, dat vooral de overkoepelende Zuid-Brabantse gildenfederaties van nu, een gilde, wat z´n ontstaan heeft na de Franse revolutie, niet erkent, en daarmee niet bij de Federatie kan worden aangesloten.

Van de meeste schutterijen die wij in deze kontreien kennen, Nederlands en Belgisch Limburg, wordt gezegd dat ze de militaire kenmerken hebben ontleend aan de ontwikkelingen in de 19e eeuw.
Nadat de Franse overheersing in 1813 teniet was gedaan, werd in 1815 een wet ingesteld:
in alle steden worden als vanouds schutterijen opgericht tot behoud der inwendige rust.
De voorgeschreven sterkte was 2 schutters per 100 inwoners. Dus na vele decennia van uitsluitend folkloristische en volksvermakelijke doelstellingen, waren er nu weer officieel omschreven militaire taken voor de schutterij.
Opmerkelijk is dat deze vorm van het schutterswezen alleen in Belgisch en Nederlands Limburg en in de Achterhoek voorkomt. Dat zou als volgt te verklaren zijn: ten tijde van de heroprichting van de schutterijen in 1815 viel alles ten noorden van de lijn Weert - Venlo tot de Bataafse Republiek, later het Koninkrijk Holland. Wellicht hebben de daar nog rustende schutterijen geen gehoor gegeven aan de oproep.

Maar niet voor lang, want toen enkele tientallen jaren het animo voor de militaire oefeningen afnam, verdwenen ook weer de dienstdoende schutterijen. En toen aan het einde van de 19e eeuw het Nederlandse Leger officieel in het leven werd geroepen werd de taak van de schutterijen geheel overbodig.

Wat er nu nog over is, is weer gebaseerd op folklore en vermaak.

Het schutterswezen in Belgisch en Nederlands Limburg

De schutterijen in Nederlands en Belgisch Limburg zijn georganiseerd in de Oud Limburgs Schuttersfederatie, kortweg OLS . Dat zijn er zo´n 170.
Eén keer per jaar komen zij tezamen op het Oud Limburgs Schuttersfeest, altijd de eerste zondag van juli. Op dit feest strijden zijn om de prijzen in de optocht, muziekwedstrijden, koningen, vendelzwaaien, marketentsters, enz.
Maar de hoogste eer is toch wel het winnen ven het OLS. Per vereniging worden de 6 beste schutters afgevaardigd die de eer niet alleen namens de vereniging, maar ook namens de gehele gemeenschap moeten verdedigen.
Met een Oud Limburgse Schuttersbuks wordt geschoten op een hark waar per vereniging 18 stopjes staan. Elke schutter mag drie keer schieten. Indien alle schutters alles raak hebben, krijgen ze opnieuw een rij van 18 stopjes ter beschikking, net zo lang, totdat er een vereniging overblijft, die geen misser heeft. Vaak duurt dit 2 à 3 dagen.
Het organiseren van zo´n groot schuttersfeest is een hele klus. Er komen ± 10.000 schutters bij elkaar, en nog zo´n 50.000 bezoekers.
Meer informatie over het OLS is te vinden op:
Wikipedia 
Per regio zijn er ook nog kleinere schuttersbonden, die echter wel allemaal onder de OLS federatie vallen. Onze bond, Juliana, telt 21 verenigingen die 3 keer per jaar bij elkaar komen op een schuttersfeest wat bij toerbeurt wordt georganiseerd. Zij strijden met elkaar in een soort competitie op alle onderdelen die het schutterswezen rijk is. Dit is niet alleen een wedstrijd op zich, maar tevens een goede voorbereiding op het Oud Limburgs Schuttersfeest.

Het schieten
Iedere schutterij heeft zijn eigen geweer, de Oud Limburgse Schuttersbuks. Sommige verenigingen hebben er 2 of 3, afhankelijk van het aantal zestallen waar mee wordt geschoten.
Alle geweren zijn grotendeels handwerk. Omdat het zo specialistisch werk is zijn er maar enkele geweermakers die deze techniek goed onder knie hebben.
Onze geweren komen van
Hendrix  Michel
Het geweer is ongeveer 1,70 m lang en weegt zo'n 16 kg.



























In bovenstaande afbeelding (uit dagblad "De Limburger") staan alle onderdelen genoemd die van belang zijn bij het richten.

De munitie bestaat uit een koperen huls, een slaghoedje, kruit en een loden kogel. De huls wordt telkens op nieuw gebruikt. Voor elke schot komt er een nieuw slaghoedje in, daarna een afgemeten hoeveelheid kruit en vervolgens wordt de loden kogel van ± 33 gram er in geperst. Deze kogels worden door de schutterijen zelf gegoten van gesmolten lood.

































Doordat onder in de huls kruit zit en de slagpen van het geweer het slaghoedje tot ontsteking brengt, ontstaat er een kleine ontploffing waardoor de kogel wordt weggeschoten. Door de snelheid kan de afstand wel 500 à 600 meter bedragen. Achter de schietbomen is een schootsveld ter beschikking wat 700 meter diep en 500 meter breed is, afgeschermd door borden.

Op de volgende foto's wordt het laden van de hulzen weergegeven.










Met behulp van het laadapparaat worden de gebruikte slaghoedjes uit de huls verwijderd en het nieuwe slaghoedje er in geperst. Daarna komt er een afgewogen hoeveelheid kruit in. Als laatste wordt de kogel er in geperst. In de groeven wordt wat vet gedaan om de loop van het geweer tijdens het schot te smeren.
Vervolgens staat een volle lade met hulzen gereed om door de schutters gebruikt te worden
.
KONINGEN SCHUTTERIJ   ST. MARTINUS
1886 : G.Vaessen (Toëne Graad)
1887 : H. Joosten
1888 : Joh. Timmermans
1889 : Jakob Doumen
1890 : P.van Uffelt
1891 : Joachim Berden
1892 : Martinus Berden
1893 : Mathies Joosten
1894 : Jean Grubben
1895 : Martinus Berden
1896 : Jos Vaessen
1897 : Joh. Jacobs
1898 : P.J. Gommans
1899 : Joh. Wijnhoven
1900 : Jac. Verstegen
1901 : P.Simons
1902 : G.Hermans
1903 : Willem Geurts
1904 : Joh. Hillen
1905 : G.Hermans
1906 : P.van Dijk
1907 : J.Timmermans
1908 : G.Smets
1909 : M.Doumen
1910 : J.Duyf
1911 : E.Driessen
1912 : Frans Smits
1913 : H.v.d. Kerkhof
1914 : Joachim Linssen
1915 : G.Peeters
1916 : L.Aerts
1917 : G.Vaessen
1918 :G.Kessels
1919 : Frans Geurts
1920 : M.Smeets
1921 : W.Thijssen
1922 : Joh. Smets
1923 : H.Vaessen
1924 : S.Gommans
1925 : H.Manders
1926 : Jac. Hermans
1927 : A.Mulders
1928 : Alb. Aerts
1929 : M.Simons
1930 : Jos Hendriks
1931 : J.Vaessen
1932 : Willem Wijnen
1933 : Ant. Mulders
1934 : Willem Wijnen
1935 : A.Aerts
1936 : G.Hanraets
1937 : P.Wijnen
1938 : M.Hermans
1939 : J.Linssen
1940 -1945 :geen koningen
1946 : L.Muysers
1947 : J.Wijnands
1948 : P.Coopmans
1949 : M.Boots
1950 : P.Verstegen
1951 : J.Vaessen
1952 : Piet Boots
1953 : M.Hendrix
1954 : Antoon Linssen
1955 : P.Coopmans
1956 : H.Geerarts
1957 : Joëch Linssen
1958 : J. Cox
1959 : J.Peeters (Tongerlo)
1960 : Joëch Linssen
1961 : Burg. Frans Schols
1962 : H.Hendriks
1963 : Willem Wijnen
1964 : J.Daniels
1965 : P.Hoeymakers
1966 : W.Linssen
1967 : W.Janssen
1968 : W.v.d. Ekker
1969 : Graad Linssen
1970 : Piet Kurvers
1971 : P.Hoeymakers
1972 : Jo Smits
1973 : W.v.d Ekker
1974 : P.Peeters
1975 : Jo Wijnen
1976 : Broer Vaessen
1977 : Baer Rutten
1878 : Hand Pauwels
1979 : Jan Wijnen (Venlosweg)
1980 : Sir Manders
1981 : Wiel v.d Sterren
1982 : Hay Bouten
1983 : Sir Manders
1984 : Piet Peeters
1985 : Lei Linssen
1986 : Wiel Janssen
1987 : Wiel Crienen
1988 : Ton Peeters (Sakskes)
1989 : Jo Wijnen
1990 : Jos Pauwels
1991 : Jeir Wijnen
1992 : Jeir Wijnen
1993 : Sir Manders
1994 : Piet Kurvers
1995 : Marjo Hendrix
1996 : Piet v.d. Beuken
1997 : Jan Wijnen (Tomp)
1998 : Burg. Clemens Brocken
1999 : Chrit Amendt
2000 : Lei Linssen
2001 : Maria Schreurs
2002 : Leen Engels
2003 : Noud Amendt
2004 : Frans Coopmans
2005 : Ton Schreurs
2006 : Hay van Ninhuys
2007 : Peter Bessem
2008 : Peter Bessem 
2009 : Ger Heldens
2010 : Win Grutters
2011 : Ger Heldens
2012 : Jos Haenen
2013 : Hay van Ninhuys
2014 : Wilma Linskens
2015 : Nico Linskens
2016 : Cor Platzbeecker
2017 : Gerrit Sengers
2018 : Wiel Blomen
2019 : Peter van Lier
Voorzitters St. Martinus
1 juli 1886 - 1926 Lowie Vaessen
1926 - 1939 Hendrik Lenders
1939 - 1952 Sjang Linssen  (ere-voorzitter)
1952 Sjeng Cox    
1961 - 1971 Piet Hoeymakers
1971 - 1973 Piet Lenders  (Cisse Piet)
1973 - 1981 Piet Kurvers
1981 - 1985 Piet Boots
1985 - 1988 Dre Timmermans
1988 - 1991 Jo Wijnen
1991 - 1999 Wim Smedts
1999 - 2004 Jo Wijnen
2004 - 2017 Twan Smets  (ere-voorzitter)
2017 - Nico Linskens


HET SCHIETEN



Werd in de eerste eeuwen van de schutterij het schieten nog als verdediging gezien, nu neemt het de belangrijke plaats in het huidige schutterswezen als wedstrijdelement in. Een schuttersfeest zonder schieten is immers geen schuttersfeest. Hieronder volgt een beknopte beschrijving van het schieten heden ten dage bij schutterij St. Martinus.

De buksen:

Er wordt geschoten met 3 buksen. Een buks is in 2001  gefabriceerd door Math Janssen uit St. Odiliënberg en  de laatste nieuwe aankoop komt van wapenmaker Michel Hendrix en is van 2010. Beiden buksen zijn inmiddels voorzien van een modificator (geluiddemper). Deze  beide buksen zijn een prototype wat betreft de kamer of het patroonlager en de messing hulzen en zijn dan ook uitwisselbaar.
De buksen zijn van het kaliber 12 en hebben een loopboring van ± 19 mm. De kogels hebben een projectielvorm en men gebruikt het z.g. nitro-kruit en het ladingsgewicht is max. 0,65 gram. Bij het opgelegde schieten kijkt men door de lorgnon, een kijkertje voor een oog, via  het vizier door de ringvormige korrel, waarbinnen men het 'bölke' fixeert. Alvorens af te drukken, dient men de voorste trekker te spannen en het spreekt voor zich dat een vaste hand en concentratie,  een   noodzaak is voor de schutter. Verder beschikt de schutterij nog over 2 "oude" buksen, gefabriceerd door de fa. Stals uit Stramproy. Deze werden aangeschaft in 1971 en 1972  (kaliber 16) en worden niet meer gebruikt bij wedstrijden.
De geweren wegen rond de 16 kg en hebben een lengte van 1,70 m en zijn grotendeels handwerk.
Om in de wintermaanden de onderlinge band niet te laten verslappen  beschikt de schutterij ook nog over  6 moderne windbuksen (Walther). Hiermee worden in de wintermaanden onderlinge windbukscompetities gehouden. 

Het kogels maken:

Voor het schieten worden jaarlijks loden kogels gegoten van ± 45 gram per stuk. Dit gebeurd in een elektrische ketel, die het lood op de gewenste temperatuur doet smelten voor de preparatie van een optimale kogel. Het lood, dat hiervoor benodigd is, wordt meestal nieuw ingekocht om de kwaliteit van de kogel te waarborgen.
Het maken van de kogels gebeurt als volgt: eerst worden de hulzen in een ultrasoonbad voor 100 % gereinigd. Hierna wordt met een speciale hefboom het slaghoedje, in de hiervoor aanwezige opening in de bodem van de huls gedrukt, vervolgens wordt met de kruitmaat de exacte hoeveelheid kruit in de huls gedaan en tenslotte wordt hierop de kogel geplaatst, na eerst met vet te zijn bestreken.
Dat een constante kwaliteit alleen verkregen kan worden door een zeer grote mate van zorgvuldigheid behoeft geen nader betoog en dit moet dan ook een voortdurende zorg zijn van de kogelmakers. Het kleinste deukje in een kogel kan immers al tot een totaal andere baan van de kogel leiden en daardoor wellicht een misser tot gevolg hebben! De kogels worden meestal in de winterperiode gegoten en opgeslagen in een munitiekast waar een constante temperatuur en luchtvochtigheid gewaarborgd is.

De wedstrijden:

De buksenmeesters zorgen voor het laden van de buksen tijdens wedstrijden en geven technische aanwijzingen aan elke schutter over de te schieten 'bölkes' en de op dat moment geldende omstandigheden als licht, wind e.d. Bovendien kan een goede buksmeester een belangrijke mentale steun betekenen op momenten dat het spannend begint te worden onder de aanlegpaal. Alle schoten worden geregistreerd door een wedstrijdleiding of tijdens oefenwedstrijden door de buksenmeester.

De schietinrichting:

Om het beeld van het schieten te completeren, volgen hier nog enkele gegevens over de schietinrichting. De aanlegpalen zijn ± 2,45 m hoog en staan op 9 of 10 m afstand van de schietboom, die tot aan de hark 14 m hoog is.
De hark meet 2 m bij 1,40 m en bevat 5 latten met elk 36 'bölkes' van 1,5 x 1,5 cm.
De 18 bölkes per zijde van een lat moeten door 6 personen afgeschoten worden tijdens officiële wedstrijden. Om de moeilijkheidsgraad bij het oefenen te vergroten zijn er ook van 1 x 1 cm. Iedere schutter schiet dus 3 bölkes af, net zo lang, totdat er een vereniging overblijft die geen misser heeft.  Aangezien onze schutterij  sinds 2009 beschikt over 3 nieuwe volautomatische en  geluidsarme kogelvangers behoort het voornoemde schootsveld tot het verleden.
Er kunnen in totaal 12 schutterijen gelijktijdig deelnemen aan een wedstrijd.

In principe  is er elke zaterdagmiddag, tussen eind maart en eind september, oefenschieten. Het animo voor het schieten is  inmiddels bij onze schutterij zo groot dat op menig bondsfeest meerdere zestallen moeten worden samengesteld.  Deze zestallen worden samengesteld door een zestalcommissie, bestaande uit een aantal ervaren schutters, die telkens voor een bepaalde duur  benoemd worden. Dat dit vaak een moeilijke taak is bij een steeds breder wordende top, behoeft dan ook geen nader betoog.
DCIM/100MEDIA/DJI_0122.JPG
Schutterij